“Indien...”

 

Door Amy Carmichael

 

 

Hoe "Indien...” tot stand kwam

 

Op een avond kwam een mede-arbeidster bij mij. Zij was bezorgd over één van haar jongeren, die de weg der Liefde was kwijtgeraakt. Dit leidde tot een slapeloze nacht, want op zulke ogenblikken is er altijd de vraag: "Heer, ben ik het? Heb ik haar op de één of andere manier in de steek gelaten? Wat weet ik van de Liefde van Golgotha?" En toen kwamen zin na zin de "Indiens", bijna alsof zij hardop werden uitgesproken voor het innerlijke oor.

 

De volgende morgen maakte ik er iemand deelgenoot van (want ik had de zinnen 's nachts met potlood neergeschreven) en daarna enkele anderen. Er werden enkele afdrukken gemaakt op onze kleine handpers, alleen voor de Dohnavur Gemeenschap en dat leidde tot dit boekje.

 

Aanvankelijk, toen erom gevraagd werd, hadden wij het gevoel: Neen, daarvoor is het veel te persoonlijk. Maar als het anderen kan helpen om te verstaan wat het

leven der 1iefde betekent en om dat leven te leven, dan ligt het niet op onze weg om te weigeren.

 

Sommige van de "indiens" schijnen verband te houden met hoogmoed, zelfzucht of lafheid, maar als wij dieper graven, stoten wij op een niet vermoede liefdeloosheid als de wortel van alles. Het is niet de bedoeling dat de bladzijden van Deel II achter elkaar worden gelezen. Misschien zal slechts een enkele hier of daar het woord geven, dat iemand nodig heeft en zal de lezer de rest overslaan en iets op de laatste bladzijden vinden. En ingeval iemand, die de Heer oprecht navolgt, verontrust wordt door de woorden "dan weet ik niets", zou ik dit willen zeggen: de gedachte kwam in deze vorm en ik ben bang haar te verzwakken. Maar hier, zoals overal, geldt dat de letter doodt. Paulus achtte het verlies van alle dingen als niets opdat hij Hem mocht kennen, Die hij reeds kende; en de ziel, die plotseling verlicht wordt door een helderder stralen van de Liefde Gods, die op Golgotha tot uitdrukking kwam (waardoor deze op een nieuwe wijze gekend wordt) gaat niet uitmeten hoeveel of hoe weinig zij voordien van deze liefde heeft gekend. Getroffen, versmolten, verbroken door dit aanschouwen van de liefde heeft zij het gevoel dat inderdaad alles, wat zij ooit geweten heeft, niets was, minder dan niets.

 

Het is duidelijk, naar ik meen, dat een boekje als dit niet bedoeld is voor iedereen, maar alleen voor degenen, die geroepen zijn tot onderherders. En er zijn sommigen onder hen, wie het niets te brengen heeft. Zij zijn reeds ingegaan in datgene, waarover ik gedrongen werd te schrijven.

A.C.


deel I

 

Er zijn tijden dat er iets in ons leven binnenkomt, dat geladen is met liefde, zó dat het Eeuwige zich een ogenblik voor ons schijnt te openen of althans enkele van de Eeuwige Dingen en het grootste van deze is de liefde.

 

Misschien is het een lichte en zeer persoonlijke aanraking van onszelf of onze aangelegenheden, licht als de aanraking van de wind op de bladeren der bomen bij het aanbreken van de dag, iets dat niet te vatten is of met woorden aan een ander kan worden verteld. Maar wij weten dat het onze Heer is. En misschien schijnt dan de kamer, waarin wij ons bevinden, met haar meubelen en boeken en bloemen, minder "dichtbij" dan Zijn. Tegenwoordigheid en wordt het hart in die vrede getrokken, waarvan het oude lied zingt:

 

Niemand buiten Zijn beminden

weet wat Jezus' liefde is.

 

Of het is de menselijke liefde om ons heen, die ons zoveel waard is en die ons verkwikt als het water der zee des zomers en die ons tot in ons diepste wezen rust geeft. Kunnen wij ooit ophouden ons te verwonderen over de liefde van onze metgezellen? En dan plotseling herkennen wij onze Heer in hen. Het is Zijn liefde die zij ons met kwistige hand schenken. O, Liefde Gods, zichtbaar geworden in hen, die U liefhebben, wij aanbidden U.

 

Of, niet dikwijls misschien, want hier schijnt schemer heilzamer voor ons te zijn, maar soms, omdat onze Heer zeer genadig is, wordt het ons geschonken omhoog te zien door de blauwe lucht en de liefde van God te aanschouwen. En toch, hoe weinig zien wij eigenlijk! "Opdat gij in staat zult zijn te vatten, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte is en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat" - die woorden zijn te groot voor ons. Wat begrijpen wij, wat weten wij? Beschaamd en vernederd gaan wij de Rots binnen en wij verbergen ons in het stof voor de heerlijkheid van de Majesteit der liefde – de liefde, waarvan het Kruis het symbool is.

 

En dan doorboort ons een vraag: Wat weet ik van de liefde van Golgotha?

 

Deel II

 

Indien ik geen mededogen heb met mijn mededienstknecht, zoals mijn Heer mededogen had met mij, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik degenen, die ik geroepen ben te dienen, kleineer, spreek over hun zwakke punten in tegenstelling misschien tot wat ik als mijn sterke punten beschouw; als ik een superieure houding aanneem, vergetende "Wie heeft u anders gemaakt? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?", dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik gemakkelijk over de tekortkomingen en zonden van anderen kan spreken; indien ik op een oppervlakkige wijze kan spreken zelfs over de vergrijpen van een kind, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik moet constateren dat ik min of meer zorgeloos fouten als vanzelfsprekend beschouw: "0, dat doen zij altijd", "0, natuurlijk spreekt zij zo, handelt hij zo", dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik kan lachen om een grap ten koste van iemand anders, indien ik op de één of andere manier iemand anders in een gesprek of zelfs in gedachten met geringschatting kan behandelen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik een onvriendelijke brief kan schrijven, een onvriendelijk woord kan uitspreken, een onvriendelijke gedachte kan denken zonder droefheid en schaamte, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik niet méér met de bedroefde Heiland meevoel dan met mijn geplaagde ik als er moeilijke dingen gebeuren, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik weinig weet van Zijn ontferming (de Heer keerde Zich om en zag Petrus aan), indien ik weinig weet van Zijn moed om hoopvol te blijven tegenover de waarlijk ontmoedigden en berouwvollen (Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren), dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik met verkeerde dingen afreken om een andere reden dan die, welke besloten ligt in de woorden: "Van Zijn rechterhand ging een vurige wet voor hen uit. Ja, Hij had het volk lief"; indien ik kan berispen zonder dat het mijzelf pijn doet, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik, als ik met iemand te maken heb, die niet reageert, de inspanning moe word en de last van mij afschuif, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik het niet kan verdragen te zijn als de vader, die de hardheid van het verre land niet verzachtte; indien ik, in die zin, weiger de wet van God (de weg der overtreders is moeizaam) in werking te laten treden vanwege het verdriet, dat het mij geeft om die wet in werking te zien, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik van streek raak door verwijten en misverstanden, die kunnen volgen op iets, wat ondernomen werd voor het welzijn van zielen, voor wie ik verantwoordelijk ben; indien ik de zaak niet kan overgeven en met vrede in mijn hart en zwijgend verder kan gaan, denkende aan Gethsémané en het Kruis, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik "het geruis van een stortregen" (1 Kon. 18:41) niet kan opvangen, lang voordat de regen valt en, opgaande naar een bergtop des geestes, zo dicht bij mijn God als ik kan, niet het geloof heb ik daar te wachten met mijn gelaat tussen de knieën, al wordt mij zesmaal of zestig maal verteld dat "er niets is" totdat eindelijk "er een wolkje opkomt boven de zee", dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien mijn houding vreesachtig, niet vol geloof is betreffende iemand, die mij heeft teleurgesteld, indien ik zeg: "Precies wat ik dacht" als iemand struikelt, dan weet ik niets van de 1iefde.van Golgotha.

 

Indien ik niet vol hoop allen kan gadeslaan in wie ook maar een zwak begin is, zoals onze Heer deed toen Hij, direct nadat Zijn discipelen erover getwist hadden wie van hen als de eerste zou gelden, Zijn verwijt verzachtte met deze woorden, die de harten wel moesten verbreken: "Gij zijt het, die steeds bij Mij gebleven zijt in Mijn verzoekingen", dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik een zonde, die iemand beleden heeft, waarover hij berouw heeft gehad en die hij heeft losgelaten, weer oprakelt en mijn denken laat beïnvloeden door de herinnering aan die zonde en mijn achterdocht daarmee voedt, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik niet het geduld van mijn Heiland heb met zielen, die langzaam groeien; indien ik weinig weet van barensweeën (een hevig, pijnlijk iets) totdat Christus volkomen gestalte in hen heeft gekregen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik op een slappe manier medelijden heb met zwakheid en tegen iemand, die zich van het Kruis afwendt, zeg: "Heb medelijden met uzelf"; indien ik zo iemand het medegevoel, dat staalt en het dappere en bemoedigende woord van kameraadschap onthoudt, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik niet kan zwijgen over een mens, die teleurstelt (tenzij het voor

het bestwil van die mens of van anderen noodzakelijk is om te spreken), dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik, als ik in gehoorzaamheid moet spreken, iemand pijn kan doen zonder veel voorbereiding in de geest en zonder mijzelf veel meer pijn te doen dan die ander, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik vrees de waarheid te zeggen om niet iemands toegenegenheid te verliezen of om te voorkomen dat de betrokken persoon zo u zeggen: "U begrijpt het niet" of omdat ik vrees mijn reputatie, wat vriendelijkheid betreft, te verliezen; indien ik mijn eigen goede naam stel boven het hoogste goed van de ander, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik mij ermee tevreden stel een kwaad oppervlakkig te genezen, zeggende: "Vrede, vrede", waar geen vrede is; indien ik het scherpe woord: "De Liefde zij zonder huichelarij" vergeet en de scherpte van de waarheid verdoezel door niet te zeggen wat juist is, maar wat prettig is, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik bang ben een ander te houden aan het hoogste, omdat het zoveel gemakkelijker is om dat te vermijden, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

Indien ik een keuze doorzet, eenvoudig omdat het mijn eigen keus is; indien ik ruimte geef aan mijn persoonlijke sympathieën en antipathieën, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha

 

Indien ik mijn eigen geluk stel boven het welzijn van het werk, dat mij is toevertrouwd; indien ik, hoewel ik deze bediening heb en veel genade heb ontvangen, verslap, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik slap voor mijzelf ben en heel genoeglijk afzak naar de ondeugd van zelfmedelijden en zelfbeklag; indien ik niet door Gods genade standvastigheid beoefen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ikzelf over mij heers, indien mijn gedachten om mijzelf draaien, indien ik zo bezig ben met mijzelf dat ik zelden "een hart, tot rust gekomen van zichzelf" bezit, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik op hetzelfde ogenblik, dat ik mij ervan bewust word dat de schaduw van mijn ik op mijn drempel valt, de deur niet sluit en in de kracht van Hem, Die het willen en het volbrengen in ons tot stand brengt, die deur gesloten houd, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik niet met een oprechte blijdschap de tweede plaats (of de twintigste) kan innemen; indien ik niet de eerste plaats kan innemen zonder drukte te maken over mijn onwaardigheid, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik, als ik in staat ben iets te ontdekken, wat anderen heeft verbijsterd, Hem vergeet, Die de diepe en verborgen dingen openbaart en Die weet wat er in de duisternis is en het ons toont; indien ik vergeet dat Hij het was, Die deze lichtstraal schonk aan Zijn meest onwaardige dienstknecht, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik niet rustig kan zijn onder datgene, waarvoor geen verklaring wordt gegeven en het woord: "En gezegend is hij, die zich niet aan Mij zal ergeren", vergeet; of indien ik het geringste spoor van misverstand zal toelaten, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik bij een vriend niet "de twijfel in zijn voordeel kan uitleggen", maar de slechtste uitleg geef aan datgene wat gezegd of gedaan is, in plaats van de beste, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik gauw beledigd ben, indien ik ermee tevreden ben in een koele onvriendelijkheid verder te gaan, hoewel vriendschap mogelijk zou zijn, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien een plotselinge, onaangename gewaarwording mij een ongeduldig, liefdeloos woord kan doen uitspreken, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

Want een beker, tot aan de rand gevuld met zoet water kan niet één druppel bitter water verliezen, al wordt er ook nog zo onverwachts tegen gestoten.

 

Indien ik mij gekwetst voel als een ander mij beschuldigt van dingen, waarvan ik niets weet en vergeet dat mijn zondeloze Heiland deze weg tot het einde is gegaan, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik mij bitter gestemd voel tegenover degenen, die mij, naar het mij voorkomt, onrechtvaardig veroordelen en vergeet dat zij mij, als zij mij zouden kennen zoals ik mijzelf ken, in veel sterkere mate zouden veroordelen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik zeg: "Ja, ik vergeef, maar ik kan niet vergeten", alsof de God, Die tweemaal per dag al het zand aan alle stranden van de ganse wereld wast, zulke herinneringen niet uit mijn geheugen zou kunnen wissen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien iemand, wiens hulp ik heel erg nodig heb, er evenzeer tevreden mee schijnt te zijn om met hout, hooi, stoppelen te bouwen als met goud, zilver en kostbaar gesteente en ik aarzel te gehoorzamen aan het licht, dat mij is geschonken en af te zien van die hulp omdat zo weinigen dit zullen begrijpen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien de zorg voor een ziel (of een gemeenschap) mij is toevertrouwd en ik sta toe dat deze wordt blootgesteld aan verzwakkende invloeden, omdat de stem van de wereld -de christelijke wereld dicht om mij heen- luid in mijn oren klinkt, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik anderen kan helpen door één of ander werk te doen, dat door degenen zonder onderscheidingsvermogen als "niet-geestelijk werk" wordt beschouwd en als ik dan innerlijk in opstand ben, omdat ik meen dat het geestelijke is, waarnaar ik hunker, terwijl het in werkelijkheid het interessante en opwindende is, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien eentonigheid een beproeving voor mij is en ik geestdodend werk niet kan verdragen; indien domme mensen mij ergeren en kleine onaangenaamheden mij prikkelbaar maken; indien ik de onbelangrijke dingen van het leven opblaas, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik onattent ben wat betreft het welzijn van anderen of hun gevoelens of zelfs hun kleine zwakheden; indien ik onverschillig ben voor hun kleine verdrietelijkheden en de gelegenheid om hun weg te effenen laat voorbijgaan; indien ik het geruisloos lopen van de huishoudelijke wielen bemoeilijk, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien onderbrekingen mij ergeren en persoonlijke zorgen mij ongeduldig maken; indien ik een schaduw werp op de mensen om mij heen omdat er een schaduw ligt op mijzelf, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien het mogelijk is dat mensen naast mij lijden en ik het nauwelijks weet omdat de geest van onderscheiding niet in mij is, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien er enige reserve in mij is wat betreft datgene, wat ik geef aan Hem, Die zo zeer liefhad dat Hij dat, wat Hem het meest dierbaar was, voor mij gaf; indien er een verborgen "maar" is in mijn gebed, "alles, maar dat niet Heer", dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik verstrikt raak in een "buitensporige genegenheid"; indien dingen of plaatsen of mensen mij weerhouden mijn Heer te gehoorzamen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien mij gevraagd wordt iets voor een ander te doen en ik voel dat als een last; indien ik dit, toegevende aan een innerlijke onwil, ontloop, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien de lof van mensen mij opgetogen maakt en verwijten mij terneerdrukken; indien ik, als ik verkeerd begrepen word, dit niet kan aanvaarden zonder mijzelf te verdedigen; indien ik bemind te worden hoger acht dan lief te hebben, gediend te worden hoger dan te dienen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik er vurig naar verlang zelf gebruikt te worden om aan een gebonden ziel de weg van bevrijding te tonen in plaats van er alleen naar te verlangen dat zij bevrijd zal worden; indien ik mijn teleurstelling koester als ik faal in plaats van te vragen dat aan iemand anders het bevrijdende woord gegeven moge worden, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik wil dat men zal weten dat ik iets heb gedaan, dat het juiste bleek te zijn, of dat ik heb voorgesteld dat het zou worden gedaan, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik zo'n kleinigheid als persoonlijk succes niet kan 'vergeten, zodat dit nooit in mij opkomt, of, als dat gebeurt, ik er geen ogenblik plaats aan geef; indien de beker van geestelijke vleierij mij zoet smaakt, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien het niet een eenvoudige en vanzelfsprekende zaak is om te zeggen: "Zijt gij jaloers om mijnentwil? God geve dat het ganse volk des Heren profeten waren," dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik in het gemeenschappelijk dienen probeer een vriend aan mijzelf te binden zodat anderen het gevoel krijgen dat zij niet gewenst zijn; indien mijn vriendschappen anderen niet méér er in betrekken, maar hard zijn (alles alleen voor mijzelf), dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik weiger erin toe te stemmen dat iemand, die mij lief is, lijdt om Christus' wil, indien ik zulk een lijden niet zie als de grootste eer die gegeven kan worden aan iemand, die de Gekruisigde navolg, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik de plaats inneem, die alleen door Christus kan worden ingenomen, door mijzelf voor iemand onontbeerlijk te maken in plaats van diegene er toe te brengen zich aan Hem te hechten, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien mijn belangstelling voor het werk van anderen gering is; indien ik denk in de termen van mijn eigen speciale werk; indien de lasten van anderen niet ook mijn lasten zijn en hun vreugden de mijne, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik terugschrik, als er een antwoord, dat ik niet verwachtte, komt op een gebed, waarvan ik overtuigd was, dat ik het oprecht meende; indien de last, die mijn Heer mij vraagt te dragen, niet de last is, die mijn hart zou uitzoeken en ik innerlijk in opstand ben en Zijn wil niet welkom heet, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik probeer te ontlopen dat ik "word ondergeploegd" met alles, wat zulk een ploegen met zich meebrengt aan ruwe behandeling, geïsoleerdheid, onaangename situaties, onbegrijpelijke beproevingen, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik mij afvraag waarom er iets moeilijks mag gebeuren en aandring op gebed dat dit weggenomen zal worden; indien mij geen teleurstelling kan worden toevertrouwd en ik niet vol vrede verder kan gaan bij iets wat ik niet begrijp, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik veel drukte maak over iets, dat ik moet doen, het in stilte groter maak voor mijzelf of op een arglistige wijze tegenover anderen; indien ik hen laat denken dat het "zwaar" is, indien ik vol verlangen terugzie naar dat, wat geweest is en blijf steken in de zijwegen van mijn herinneringen, zodat mijn kracht om te helpen wordt verzwakt, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien de liefde , die " alles wat moeilijk is, als licht beschouwt en steeds kalm alles, wat buiten de gewone gang van zaken ligt , draagt" niet het verlangen van mijn hart is, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik weiger om een graankorrel te zijn , die in de aarde valt en sterft("gescheiden wordt van alles , waarin hij voordien leefde"), dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik vraag om bevrijd te worden van een beproeving, in plaats van om bevrijding daaruit tot eer van Zijn heerlijkheid; indien ik vergeet dat de weg van het Kruis naar het Kruis leidt en niet naar een weiland vol bloemen; indien ik mijn leven daarnaar regel of zelfs onbewust mijn denken zodat ik mij verwonder als de weg moeilijk is en dat vreemd vind, hoewel het woord geldt: "Laat het u niet bevreemden; houdt het voor enkel vreugde", dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien het uiterste, het moeilijkste, niet van mij kan worden gevraagd; indien mijn medewerkers aarzelen om het van mij te vragen en zich tot iemand anders wenden, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

Indien ik enige plaats op aarde begeer buiten het stof aan de voet van het Kruis, dan weet ik niets van de liefde van Golgotha.

 

 

Dat, wat ik niet weet, leer Gij het mij, o Heer, mijn God.

 

 

deel III

 

Deze woorden waren verzengend om te schrijven, maar ik kan mij niet ontworstelen aan de gedachte dat het, niettegenstaande al onze gezangen en gebeden (zovele daarvan vragen om liefde) mogelijk is om tevreden te zijn met oppervlakkige liefde, als tenminste zulk een oppervlakkigheid liefde kan worden genoemd.

 

(Misschien moest het gebed gevolgd worden door een korte stilte, zodat wij tijd hebben onze harten te openen voor datgene, waarom wij gebeden hebben. Vaak haasten wij ons van gebed tot gebed zonder te wachten op het woord in ons, dat zegt: "Ik heb u verhoord, mijn kind").

 

Hoe meer wij nadenken over de woorden van onze Heer omtrent de liefde en over de brandende woorden, die de Geest aan Zijn navolgers gaf om neer te schrijven, hoe scherper wij ons dodelijk gebrek voelen. Het zoeklicht van de Geest ontdekt ons aan onszelf en zulk een ontdekking is ontstellend voor ons. Hoe kan zelfs Hij, Die de God van alle geduld is, geduld hebben met ons? Evenals Job verafschuwen wij onszelf en doen boete in zak en as.

 

Maar het licht wordt niet op ons gericht om ons van onze hoop te beroven. Er is een opgeheven-worden. Als wij er maar naar verlangen te worden gereinigd van het ik met zijn verstrikkende netten, zijn sluwheden, zijn vermommingen (in werkelijkheid onwaarheden), het gemak, waarmede het het koper op goud doet lijken, zoals men in het Tamil zegt; indien wij, dat wat niet liefde is hatend uit de grond van ons hart, tot God roepen om bevrijding, dan zal onze God voor ons een God van bevrijding zijn.

 

Geen nachtgezicht kan tonen, geen woord verklaren met welk een liefdeverlangen de Goddelijke Liefde wacht, tot het hart, door en door vermoeid en moe van zichzelf, zich tot zijn Heer keert en zegt: "Neem Gij mij geheel in bezit". Het is niet nodig om te smeken dat de liefde Gods ons hart zal vervullen, als ware Hij onwillig om ons te vullen: Hij is even bereid als het licht bereid is om een kamer binnen te stromen, die geopend wordt voor zijn stralen; even bereid als het water bereid is een leeg kanaal binnen te vloeien. De Liefde omringt ons aan alle kanten, evenals de lucht. Houd op weerstand te bieden en de Liefde zal onmiddellijk bezit van u nemen. Zoals het 15de eeuwse gedicht Quia amore langues zegt: "Hoe hoog uw verlangen en liefde zich uitstrekt, mijn liefde is meer dan de uwe kan zijn."

 

Meer, veel meer. Want evenals Zijn overvloedige vergeving ons vermogen om deze onder woorden te brengen, te boven gaat, zo ook Zijn overvloedige Liefde: zij reikt zo ver als het oosten is van het westen, zo hoog als de hemel is boven de aarde. Maar woorden falen: de Liefde gaat het alles te boven.

 

Op onszelf zien leidt tot wanhoop.

Gode zij dank, het Bloed reinigt.

 

Zijt gij onrein, Ik reinig u;

bij ziekte weet, dat Ik genees.

Zaagt gij zó'n trouwe liefde ooit?

           Nooit, Heer, nooit.

 

 

Soms, als wij bedroefd zijn vanwege ons falen in het verleden en gekweld door de vrees om in de toekomst te falen, wanneer wij weer ons aangezicht naar Jeruzalem richten, helpt niets zo zeer als een bekend Schriftwoord tijd te geven in ons door te dringen en een deel van ons wezen te worden. De woorden "genade voor genade" zijn mij een hulp geweest sedert ik heb gelezen, wat de betekenis ervan ontsloot. (Tot op dat ogenblik had ik ze niet begrepen).

 

Hij zegt dat "voor" eenvoudig betekent: in de plaats van. "Het beeld is dat van een aanhoudende toevoer; een verplaatsing, die steeds doorgaat; onophoudelijke veranderingen in datgene, wat nodig en,noodzakelijk is.

 

Het beeld, dat wij hier hebben, is als het ware dat van een rivier. Ga eens aan de oever staan en aanschouw het stromen van het water. Een minuut gaat voorbij en nog één. Is het nog dezelfde stroom? Ja, maar is het hetzelfde water? Neen. De vloeibare massa, die een paar seconden geleden aan u voorbij stroomde, vult nu een ander gedeelte van de rivier; nieuw water heeft haar verplaatst, of als u dat liever wilt, vervangen; water in de plaats van water. En zo gaat uur na uur, jaar na jaar en eeuw na eeuw het proces voort; één stroom, ander water, levend, niet stilstaand, omdat er altijd in de grote, volkomen gelijkheid een eeuwigdurende uitwisseling is. Genade neemt de plaats in van genade;" (liefde neemt de plaats in van liefde) "steeds nieuw, steeds oud, steeds gelijk, steeds vernieuwd en jong, uur na uur, jaar na jaar, door Christus."

 

Er is geen kracht sterk genoeg om ons als gemeenschap bijeen te houden en al ons doen te bezielen behalve deze ene kracht der Liefde en daarom wordt de liefde, zonder welke wij als een klinkend metaal en een schetterende cimbaal zijn, voortdurend aangevallen.

 

Dat verklaart waarom steeds opnieuw degenen, die het leven der liefde willen leven, ertoe gedrongen schijnen te worden het onderzoekende en reinigende werk van de Geest van God te zoeken, in de eerste plaats (en dat is vaak gebeurd) in de verborgenheid van ons eigen hart en dan tezamen; en wij weten hoe genadig God ons heeft geantwoord, zodat, hoewel wij altijd moeten zeggen: "niet dat ik het reeds gegrepen heb", wij voortgaan omdat Hij ons ertoe in staat stelt.

 

Er is een andere reden waarom de tegenstander de liefde aanvalt. Het is deze: Aan de buitenste rand van onze gemeenschap kan iets gebeuren, wat om zo te zeggen de weerspiegeling is van iets, dat gekoesterd werd in het hart van iemand, die helemaal midden in het werk zijn plaats heeft. Vaak heb ik dit meegemaakt. Misschien kwam het nooit tot uiting in daad of woord, het oog zag het niet, het oor hoorde het niet . Maar geestelijke invloeden bewegen zich in een gebied, waar zien en horen geen plaats hebben; gebrek aan liefde in één van ons, ja zelfs verloochening van die liefde , waarover wij hebben nagedacht, al is het maar tijdelijk, is voldoende om de langzaam doorwerkende vlek zich te doen uitbreiden totdat zij een andere ziel bereikt in een ogenblik van zwakte. En het kan onherstelbare schade tot gevolg hebben.

 

O Heer, vergeef: het is U eigen, altijd genadig te zijn. Geef mij opnieuw de troost van Uw hulp. Het zij Uw welbehagen mij te bevrijden, o Heer, mijn God.

De weg der liefde is nooit een gemakkelijke weg. Wanneer ons hart erop gericht is die weg te gaan, moeten wij bereid zijn om te lijden. "Het was de weg, die de Meester ging; moet niet de dienstknecht die ook gaan?" Het is mogelijk dat wij ingesloten zijn door omstandigheden, die alle natuurlijke liefde uit ons wegnemen totdat wij ons even dor voelen als het gras op een berghelling in India, onder de brandende zon.

 

Wij hebben gearbeid voor iemand, die ons dierbaar was, maar hebben het nooit als zware arbeid gevoeld. Wij hebben onze reserves aan gezondheid verbruikt, die nooit zullen worden aangevuld, maar wij wisten het niet en wij zouden er ons, als wij het geweten hadden, niet om bekommerd hebben, zo zeer hadden wij lief. En onze ganse hoop was erop gevestigd dat degenen die ons zo dierbaar waren, anderen zouden dienen. Maar dat gebeurde niet. En dan worden wij ons node bewust van een vreemde ontoeschietelijkheid in degenen, voor wie ons niets te veel was om te doen, een koelheid, die ontmoedigde, een hardheid, die als met ruwe handen het hart weg stootte, dat bijkans gebroken was om dat leven te redden van de vernietiging.

 

Dan (maar slechts zij, die door zulk een uur van diepe droefheid zijn heengegaan, zullen dit verstaan) krijgt een angst, erger dan welke pijn, ook, ons in haar greep: Ontglipt ons de liefde van lange jaren? "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen" – vervaagt dat in onze herinnering? De liefde faalt nooit - faalt de liefde thans? Zullen wij tot de ontdekking komen dat wij liefdeloosheid met liefdeloosheid beantwoorden?

 

In zulk een uur werd een gebed, thans vele jaren oud, dat een wanhopig gebed was, in woorden gegrift:

't Diepste in mij, o Heer,

roept om Uw kracht.

Geef mij Uw sterkte, Heer,

o kom, ik wacht.

Jezus van Golgotha,

gestorven voor mij,

vraag wat Gij wilt, maar geef

Uw liefde mij.

 

Ja, vraag wat Gij wilt, iedere hoop, iedere vreugde over menselijke toegenegenheid, iedere beloning aan liefde, maar laat de Liefde niet verdwijnen. Geen van de dingen, waaraan wij gewend zijn, is te vergelijken met deze nieuwe roepstem; niets in mij kan hieraan beantwoorden. O, Heer der Liefde en der Smarten, laat Uw liefde in mij overvloedig zijn: Liefde Gods, heb lief door mij heen.

 

Onze Heer, Die wij liefhebben, luistert naar het gebed, dat komt van lippen, die niet huichelen en er staat geschreven tot onze bemoediging, dat Hij degenen, die Hem liefhebben, een vermogen laat beërven, het heerlijke "vermogen", dat genade is, de voortdurende gave van Zijn volheid. Deze genade is niet slechts "een onpersoonlijk vermogen", maar God, Die in ons werkt, de Heer, Die werkt in dat, wat de diepste bron van ons denken en onze wil is. God is Liefde, daarom is voor ons Liefde dit heerlijke "Vermogen", dat de kinderen des Vaders mogen beërven.

 

Weer is het dat, wat de rivier ons te zeggen heeft. Het lege stroombed "beërft" het water, dat erdoor stroomt vanaf de hoogten, het schept het water niet, het ontvangt het slechts en zijn schatkamers worden gevuld, zijn diepe plaatsen stromen over tot zegen en verkwikking van het land. Zo is het met ons; onze schatkamers van tijd, onze jaren met al hun maanden, weken, dagen, uren, minuten, worden gevuld met een voortdurende stroom van liefde, opdat wij anderen kunnen helpen. Wie zou zulk een vreugde voor ons hebben kunnen uitdenken dan Hij, Wiens Naam Liefde is? Hem nu, Die bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of denken, naar de kracht, welke in ons werkt, Hem zij de heerlijkheid!

 

Laten wij met iets zeer eenvoudigs eindigen: Laten wij luisteren naar eenvoudige woorden; onze Heer spreekt op een eenvoudige wijze: "Vertrouw Mij, Mijn kind, vertrouw Mij met een nederig hart en een vollere overgave aan Mijn wil dan ooit tevoren. Vertrouw het Mij toe dat Ik Mijn liefde door u heen zal doen stromen terwijl de ene minuut op de andere volgt. En mocht gij u ervan bewust worden dat iets deze doorstroming in de weg staat, bezeer Mijn liefde dan niet door ontmoedigd van Mij weg te gaan, niets kan de liefde meer bezeren dan dat. Nader des te dichter tot Mij, Kom, vlucht tot Mij opdat Ik u verberg, zelfs voor uzelf. Vertel Mij de moeilijkheid. Vertrouw het Mij toe dat Ik Mijn hand naar u zal uitstrekken en het rotsblok, dat uw rivierbedding heeft versperd, volkomen z a l verwijderen en al het zand zal wegnemen, dat de bedding heeft doen verzanden. Ik zal u niet verlaten totdat Ik datgene tot stand heb gebracht, waarover Ik tot u heb gesproken. Ik zal alles, u aangaande, tot volmaaktheid brengen. Vreest niet, o kind, dat Ik liefheb; vrees niet."

 

 

En nu om alles samen te vatten:

 

Geliefden, laten wij elkander liefhebben.

 

Heer, wat is liefde?

 

 

Liefde is datgene, wat de drijfveer was van Mijn leven en Mij naar Mijn kruis leidde en Mij aan het Kruis vasthield. Liefde is datgene, wat het tot een vreugde voor u zal maken uw leven af te leggen voor uw broeders.

 

 

Heer, geef mij steeds meer deze liefde!


The Dohnavur Fellowship

 

Het werk, bekend onder deze naam, begon in 1901. Er bestaat bij sommige tempels in India een ritueel, zoals dat gevonden werd in de grote tempel in Korinthe met zijn Duizend Dienaren. Jonge kinderen, opgeleid voor de tempeldienst, hebben geen enkele kans om tot goede mensen op te groeien. Zij zijn de meest onbeschermden van Gods onschuldige schepselen. Wij hebben onszelf gegeven om hen te redden; en omdat wij woonden in een dorp, dat Dohnavur heet, werd het werk onder deze naam bekend.

 

De geschiedenis van de Gemeenschap is verteld in "Gold Cord". Het is thans onwettig verklaard een jong kind aan een God te wijden. Maar, zoals allen, die het Oosten kennen, weten, zijn er wegen om een wet te 'ontduiken. Afgezien daarvan zijn er heel veel kinderen in gevaar, opgevoed te worden voor verkeerde doeleinden. Daarom blijft de noodzaak van dit werk bestaan, hoe de wet ook zij.

 

In 1918 begonnen wij ook jongens op te nemen, want ook zij worden gebruikt in de tempels en vaker nog in de slechte theatergezelschappen en bioscopen van Zuid-India.

 

Het werk is moeilijk en vraagt alles, wat wij hebben te geven. Er is verdriet, maar er is veel meer vreugde. Verreweg de meesten van de eerste generatie van kinderen geven hun leven in de dienst van hun Heiland en voor het welzijn van hun land.

 

Vanaf het begin hebben wij de kinderen beschouwd als onze eigen kinderen. Wij hebben geen tehuis voor hen gemaakt: toen zij bij ons kwamen waren zij thuis. En zo waren wij van het begin af een gezin, nooit een instelling; en wij allen , Indiërs en Europeanen, mannen en vrouwen, leven en werken tezamen zoals in een Indiaas gezin, ieder draagt datgene bij, wat hij te geven heeft voor de hulp van allen. Wij hebben geen werkers, Indiase of buitenlandse, die een salaris ontvangen; wij vragen niet om geldelijke bijdragen en geven niemand volmacht daarom te vragen. Wij hebben nooit gebrek gehad; bij het groeien van de behoeften werd daarin voorzien; en bij het verdergaan bemerken wij, dat onze Onzichtbare Leider voor ons uitgaat . Het gezin telt thans meer dan negenhonderd leden. Wij werken in de dorpen en doen medisch werk.

 

Wij hebben geen medewerkers, die alleen predikers zijn. "Wij hebben de prediking gehoord, kunt u ons het leven van uw Heer Jezus laten zien?" zei een Hindu tot één van ons. Onze Meester, Die niet slechts predikte en leerde, maar rondging, goed doende, en Zijn dienstknecht Paulus, die niet slechts in het openbaar en van huis tot huis leerde, maar hard werkte, arbeidde met zijn eigen handen, gaven ons het voorbeeld, dat wij als Gemeenschap wilden navolgen. Zo deelt de evangelist in het praktische werk van alledag, als arts , verpleger, onderwijzer , bouwarbeider, ingenieur, boer, enz.

 

Wij komen uit verschillende delen van Gods huisgezin; maar wij merken nooit dat dit enige belemmering is voor een harmonisch samengaan, want wij ontmoeten elkaar in het middelpunt, boven en onder de verschillen. En één te zijn in de liefde tot onze Heer en in het geloof in dat Boek, waarvan de som der woorden waarheid is, leidt tot de eenheid, die van levensbelang is.

 

 

Naar de pagina over verdieping en opwekking in het geestelijk leven.

 

HOME